Ruimtelijke ordening: Deel 3

ruimtelijke ordening

Met de veranderende denkwijzen binnen de planologie, van modernistische systeembouw tot de vinexwijk, zijn we aanbeland in de 21e eeuw. Dit betekent ook een nieuwe periode voor de ruimtelijke ordening en dit gaat hand in hand met zelforganisatie. Dat houdt in dat ruimtelijke projecten op een lager schaalniveau en steeds vaker op basis van maatwerk uitgevoerd worden. Hierdoor ontstaan lokale burgerinitiatieven die steeds meer zeggenschap krijgen over hun eigen gebied en die daadwerkelijk de ruimte veranderen.

Bovendien is er aandacht voor het grote plaatje, vele aspecten die zich binnen deze ruimte afspelen worden verbonden aan en meegenomen in het project. Zo kunnen er meekoppelkansen ontstaan. Een simpel voorbeeld ter verduidelijking: bij de verdubbeling van een N-weg worden nabijgelegen braakliggende terreinen herontwikkeld als natuurgebieden. In andere woorden, er is steeds vaker sprake van gebiedsontwikkeling. Een voorbeeld van de vele recente institutionele veranderingen binnen de ruimtelijke ordening.

 

Integrale gebiedsontwikkeling

De ontwikkeling van gebieden wordt steeds complexer. ‘Simpele’ uitleglocaties bestaan in feite niet meer. Ontwikkelingen moeten rekening houden met de omgeving waarin zij worden gerealiseerd. Desondanks kunnen ontwikkelingen daarbij gevolgen hebben voor de leefomgeving. Burgers die in de omgeving wonen hebben meer en meer inspraak op deze gebiedsontwikkelingen en worden daarom ook steeds mondiger. Milieu en andere omgevingsaspecten spelen hierbij in toenemende mate een rol. Vaak gaat het hierbij niet om een enkel aspect, zoals geluid, maar om een combinatie van aspecten, waarbij elk aspect zijn eigen randvoorwaarden stelt voor de ontwikkeling.

 

Integraal proces

Gebiedsontwikkeling is bij uitstek een integraal proces, waarbij niet naar één enkel omgevingsaspect wordt gekeken, maar aspecten in samenhang, integraal tegen elkaar afgewogen worden. Het uiteindelijke resultaat moet voldoen aan een goede ruimtelijke ordening. Een gebiedsontwikkeling kenmerkt zich dus door een combinatie van verschillende functies, zoals wonen, bedrijven, detailhandel, groen, recreatie en infrastructuur. In het algemeen is er sprake van een zekere mate van complexiteit door bijvoorbeeld de ligging, het aantal af te wegen aspecten en het grote aantal belanghebbenden.

Gebiedsontwikkeling is vooral een taak van provincies en gemeenten. Denk aan het beheer van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Het Rijk helpt provincies en gemeenten door belemmeringen in de regelgeving weg te nemen en door experimenten toe te staan. Zo is het ruimtelijk beleid niet meer veelal op de Rijksoverheid gestoeld, maar worden bevoegdheden gedecentraliseerd. Op deze manier kan efficiënter en beter maatwerk geleverd worden. 

 

Burgerinitiatieven en zelforganisatie

Wat we binnen de ruimtelijke ordening vaker voorbij zien komen is de zogenaamde organische gebiedsontwikkeling. Dit gaat om een procesmatige aanpak met een open-einde karakter, waarbij ruimte is voor (kleinschalige) initiatieven van diverse partijen. Om deze belangen goed te kunnen meenemen, is het noodzakelijk deze in elke fase van het planproces in beeld te hebben. Dit planproces biedt meer flexibiliteit en de overheid heeft in dit proces een meer faciliterende rol. Op deze manier ontstaat binnen de hedendaagse stroming van de ruimtelijke ordening de switch van gekaderd top-down beleid naar het meer open bottom-up initiatief. De toenemende stem van burgers en (kleinschalige) burgerparticipatie mondt vaak uit in deze burgerinitiatieven, zoals energiecoöperaties of dorpsverenigingen. Deze ontstaan vaak in het gebied zelf en ze krijgen nu de kans om daadwerkelijk projecten uit te voeren en te realiseren. Er is draagkracht om ontwikkelingen door te zetten in de ruimte, dit houdt vaak in dat de fysieke en sociale componenten in de ruimte overeenkomen en samensmelten. Burgers nemen het heft in eigen hand binnen het beleid wat geldt voor hun gebied. Er is in die zin sprake van een terugtrekkende overheid. Met de komst van Omgevingswet is het voor burgers makkelijker om activiteiten uit te voeren. Hierdoor lopen ze in mindere mate tegen barrières en belemmeringen aan. Want bij gebiedsontwikkeling sluit, wat vorm en inhoud betreft, de gedachte van de Omgevingswet goed aan, die dit proces juridisch zou kunnen faciliteren.

 

Kanttekeningen van zelforganisatie

Gezien de vele voordelen van burgers die participeren in een decentraal en integraal ruimtelijk proces zijn de uitkomsten van projecten vaak gunstig. Toch kan de toenemende mate van zelforganisatie ook leiden tot hindernissen of negatieve effecten. Daarom enkele kritische kanttekeningen van zelforganisatie. Ten eerste maken lokale gebieden beslissingen op basis van consensus, in andere woorden dat iedereen zich erin kan vinden. Een initiatief kan verbindend werken en kan de sociale cohesie binnen een dorp versterken. Een initiatief dat niet op de steun van de overgrote meerderheid van de burgers kan rekenen, kan echter zorgen voor conflicten binnen een gemeenschap, iets wat de leefbaarheid en sociale cohesie sterk negatief beïnvloedt. Daarnaast spelen lokale elites vaak een grote rol bij burgerinitiatieven: veel initiatieven worden getrokken door gepensioneerde, hoogopgeleide, witte, mannen. Zij hebben tijd en goede netwerken, maar zijn niet per se een representatieve afspiegeling van de gemeenschap en de mogelijke diversiteit aan wensen. 

 

Burgerinitiatieven

Ten tweede kan het actief stimuleren van burgerinitiatieven lokaal tot grotere verschillen leiden. Niet alle gemeenschappen beschikken namelijk over voldoende sociaal kapitaal om een initiatief tot stand te brengen. Vaak wordt er een groot beroep gedaan op vrijwilligers en hun vrije tijd. Ook beschikken niet alle dorpen over voldoende capabele inwoners of de noodzakelijke informele contacten met gemeenteambtenaren. Per gebied kan dit dus flink verschillen. De verwachting is dat in krimpregio’s vooral de emigratie van ondernemende en hoogopgeleide mensen zal toenemen, mensen die nu een belangrijke rol spelen bij het succes van initiatieven. Tot slot vormen overheden zelf ook een risicofactor bij het realiseren van burgerinitiatieven. Beleidsveranderingen en -onduidelijkheden als het intrekken van subsidieregelingen, stopzetten van exploitatievergoedingen of onduidelijke procedures hebben een grote impact op de realisatie en continuïteit van burgerinitiatieven. Betere coördinatie en communicatie tussen stakeholders op verschillende schaalniveaus kan hier uitkomst bieden.

 

Negatieve effecten

Waar organische integrale gebiedsontwikkeling vaak van toegevoegde waarde is voor een ruimtelijk project en er hiermee voor zorgt dat de fysieke en sociale component in de ruimte bij elkaar aansluit, kan dit ook tot negatieve (neven)effecten leiden. Noodzakelijke beslissingen die ook tegenstanders scheppen of minderheidsbelangen dienen, kunnen daarom het best worden overgelaten aan een daartoe gemachtigde gemeenteraad, wat dus resulteert in overheidsgestuurde ruimtelijke planvorming. Een combinatie van (top-down) gereguleerde wet- en regelgeving, gestuurd door (decentrale) overheden met (bottom-up) burgerinitiatieven op basis van zelforganisatie is voor vele lokale gebieden de best passende oplossing. De fysieke en sociale eigenschappen van een bepaald gebied of project vragen dus om een aanpak die, afhankelijk van deze eigenschappen, per casus verschillend kan zijn en anders kan uitpakken.

Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn
Share on whatsapp
WhatsApp
Share on email
Email

Zie jij jezelf binnen dit vakgebied werken?

Benieuwd wat wij voor jouw organisatie kunnen betekenen?