Wat is een omgevingsvisie?

omgevingsvisie

Nederland heeft te maken met grote vraagstukken: er moeten meer woningen gebouwd worden, we moeten anticiperen op klimaatverandering en willen meer duurzame energie opwekken. Ondanks dat al deze vraagstukken andere antwoorden hebben, hebben zij één ding gemeen: het oplossen van het vraagstuk kost ruimte. En ruimte, daar hebben we nu net niet zo veel van in Nederland.

Gelukkig houden overheden zich bezig met hoe we de ruimte in Nederland zo efficiënt mogelijk kunnen benutten. Daarbij maken zij gebruik van een omgevingsvisie. Het Rijk, provincies en gemeenten stellen elk een eigen omgevingsvisie op. Dit is wettelijk vastgesteld in de Omgevingswet, die op 1 januari 2022 in werking treedt. Maar wat is het precies, en wat staat erin?

 

Wat is een omgevingsvisie?

 

Een omgevingsvisie is een strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op de samenhang tussen ruimte, milieu, natuur, water, landschap, infrastructuur, cultureel erfgoed, verkeer en vervoer. Een omgevingsvisie heeft daarmee betrekking op alle terreinen van de leefomgeving.

Op dit moment zijn gemeenten, provincies en het Rijk verplicht om één of meer gebiedsdekkende structuurvisies op te stellen. Dit zijn strategische plannen op het gebied van water, natuur, verkeer, vervoer en milieu. Deze hebben een vrijwillig karakter.

Een omgevingsvisie is anders. Dit is een samenhangende visie op strategisch niveau, die globaal is en gericht op de lange termijn. Het is géén optelsom van de al bestaande beleidsvisies. Daarnaast is een omgevingsvisie zelfbindend voor de bestuurslaag die het heeft opgesteld en waarvoor het is opgesteld. De omgevingsvisie van de Provincie Utrecht bindt dus alleen de Provincie Utrecht, en niet de Provincie Noord-Holland of de Gemeente Groningen.

Omgevingsvisies kunnen sterk van elkaar verschillen. Niet alleen omdat bijvoorbeeld een provinciale omgevingsvisie over een provincie gaat, en een gemeentelijke omgevingsvisie over een gemeente, maar ook omdat de omgevingsvisie vormvrij is. Dit betekent dat de makers (Rijk, provincie of gemeente) zelf bepalen over welke gebieden, thema’s en sectoren zij schrijven. Daarnaast kunnen zij het detailniveau bepalen. Toch moet een omgevingsvisie aan een aantal eisen voldoen. Zo moet de omgevingsvisie elektronisch raadpleegbaar zijn, en moet het inhoudelijk in elk geval de volgende elementen bevatten:

  1. Een beschrijving van de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving: waar bestaat de fysieke leefomgeving uit en wat is de kwaliteit ervan?
  2. De hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming en behoud van het grondgebied: wat gebeurt er/gaat er gebeuren aan ontwikkelingen en instandhouding van het grondgebied?
  3. De hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid: wat zijn de na te streven doelen en op welke manier worden die bereikt?

 

Nationale Omgevingsvisie

 

Het Rijk stelt de Nationale Omgevingsvisie op (NOVI). Deze Nationale Omgevingsvisie geeft een beeld van hoe we wensen dat Nederland en haar leefomgeving er over 30 jaar uit zien. De Nationale Omgevingsvisie helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en om uit te gaan van specifieke kwaliteiten en kenmerken van gebieden. Ook helpt het om nu met de bestaande vraagstukken aan de slag te gaan, en om ze niet uit te stellen. Het opstellen van de Nationale Omgevingsvisie gebeurt door het Rijk, in samenwerking met provincies, gemeenten, bedrijven, (maatschappelijke) organisaties en inwoners van Nederland. In de Nationale Omgevingsvisie zijn 21 nationale belangen opgesteld, waaronder het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit, het beperken van klimaatverandering, het realiseren van een toekomstbestendige en circulaire economie, en het verbeteren en beschermen van de natuur en biodiversiteit. Deze 21 nationale belangen staan niet los van elkaar. Vaak is er een samenhangende, integrale aanpak nodig om de belangen aan te pakken. Een voorbeeld is de samenhang tussen het bouwen van meer woningen en tegelijkertijd de leefbaarheid en bereikbaarheid in steden verbeteren. De samenhang tussen de 21 belangen manifesteert zich rond vier prioriteiten:

 

  1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. De klimaatverandering en afspraken uit het Klimaatakkoord zullen grote impact hebben op de fysieke leefomgeving. Het is belangrijk om alle mogelijkheden voor energiebesparing te benutten, en klimaatadaptatie in te passen in de plannen.
  2. Duurzaam economisch groeipotentieel. We moeten onze internationale concurrentiepositie behouden, onder andere door het vestigingsklimaat te optimaliseren. Dit vraagt om een aanpak in samenhang met opgaven als bereikbaarheid, energietransitie, welvaart, welzijn en woningbouw.
  3. Sterke en gezonde steden en regio’s. Het streven is om steden en regio’s te realiseren waar zoveel mogelijk functies gecombineerd zijn, en die daarnaast ook gezond en leefbaar zijn.
  4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Het landelijk gebied staat op veel plekken onder druk en staat voor grote opgaven door klimaatverandering, verstedelijking en de transitie van de landbouw. Een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied vraagt om een herinrichting van het landelijk gebied en een verbetering van de milieukwaliteit.

Het Rijk stelt overigens ook een Uitvoeringsagenda op, waarin staat beschreven hoe zij uitwerking geven aan de Nationale Omgevingsvisie. Dat uitwerken wordt niet alleen door het Rijk gedaan: ook provincies, gemeenten en waterschappen pakken taken op.

 

Provinciale en gemeentelijke omgevingsvisies

 

Provinciale en gemeentelijke omgevingsvisies verschillen nauwelijks van de Nationale Omgevingsvisie, enkel de grondgebieden verschillen. Provinciale en gemeentelijke omgevingsvisies moeten, op grond van het motiveringsbeginsel (een overheid moet haar besluiten volledig en begrijpelijk motiveren) en het zorgvuldigheidsbeginsel (zorgvuldigheid bij de voorbereiding en het afwegen van besluiten is vereist) rekening houden met de omgevingsvisies van andere bestuursorganen. Desalniettemin is de Nationale Omgevingsvisie niet dwingend voor provincies en gemeenten, waardoor bijvoorbeeld een provinciale omgevingsvisie kan botsen met de Nationale Omgevingsvisie. Toch gebeurt dit niet vaak. Wanneer het Rijk bijvoorbeeld een instructie of verplichting wil opleggen die te maken heeft met de Nationale Omgevingsvisie kan van andere instrumenten gebruik worden gemaakt. Hierbij valt te denken aan instructieregels, omgevingsvergunningen en provinciale instructies.

 

En hoe zit dat met waterschappen?

 

Waterschappen zijn niet verplicht om een omgevingsvisie op te stellen. Toch staan de waterschappen niet volledig buitenspel als het gaat om omgevingsvisies. Omgevingsvisies moeten immers ook rekening houden met het watersysteem in hun fysieke gebied. Waterschappen hebben dusdanig veel kennis en kunde in huis over het watersysteem, dat zij vaak meedenken en/of meeschrijven aan de omgevingsvisie van een provincie of gemeente. De manier waar provincies en gemeenten de waterschappen betrekken kan en mag verschillen. Desondanks blijkt uit een peiling van de Unie van Waterschappen dat 94% van de waterschappen betrokken is bij het opstellen van één of meer provinciale omgevingsvisies. Overigens kunnen waterschappen hun beleidskeuzes en doelen wel in een visie of beleidsdocument aangeven, bijvoorbeeld in de Wateragenda.

Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn
Share on whatsapp
WhatsApp
Share on email
Email

Zie jij jezelf binnen dit vakgebied werken?

Benieuwd wat wij voor jouw organisatie kunnen betekenen?